Uit DDA’s Logboek 2018-04
Rubriek: Mens en Machine
Door Paul van der Horst

Op 5 juli 2018 werd door de Tweede Kamer een motie aangenomen over de berging van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Op één partij na stemden alle partijen voor. De centrale overheid neemt voortaan de berging van bepaalde wrakken volledig voor haar rekening, waarmee een belangrijke financiële horde bij gemeenten wordt weggenomen. De motie kwam voort uit een initiatief van de Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945, kortweg SGLO. Logboek in gesprek met de voorzitter van de SGLO, Ivo de Jong (1963).

Het succes van de SGLO
“Mijn interesse voor de oorlogsgeschiedenis van de luchtvaart ontstond door mijn vader. In 1944 had hij een B-17 een noodlanding zien maken bij Groenekan. Zijn verhaal heeft mij altijd geïntrigeerd en toen ik 15, 16 jaar was ging ik boeken lezen over de luchtoorlog boven Nederland. “Hé”, dacht ik, “je kunt van alles uitzoeken!” en toen ben ik een onderzoek begonnen naar die B-17. Eerst wist ik niet eens de datum van het gebeuren, maar stapje voor stapje kwam ik verder. Ik kwam in contact met enkele bemanningsleden en het verhaal van die B-17 kwam boven water. Het bleek dat er op die 28e mei 1944 veel meer toestellen verloren waren gegaan, 34 bommenwerpers en 15 jagers keerden niet terug en ik besloot een boek te schrijven over de luchtoorlog op die dag. Het boek “Mission 376, Battle over the Reich” kwam uiteindelijk uit in 2004 en werd goed ontvangen, ook in Amerika. Vanaf 1980 ben ik lid van de SGLO en ik begon steeds meer onderzoek te doen naar crashes en de geschiedenis van de luchtoorlog. Dat was nog ‘voor internet’ en ik probeerde bijvoorbeeld bemanningsleden te traceren door adressen bij namen te zoeken. Ik deed dat bij de Amerikaanse ambassade. Die had telefoonboeken van de hele USA. En dan schreef ik op goed geluk brieven naar personen met de juiste naam in de vermoedelijke woonplaats. Omdat ik tijdelijk ‘vast zat’ met mijn onderzoek naar 28 mei 1944 startte ik een nieuw project. In 1998 kwam mijn eerste boek uit, “Mission 85, a milkrun that turned sour” over de Amerikaanse bombardementen op 19 augustus 1943 op Gilze-Rijen en Haamstede. Twee keer een boek over een bepaalde dag was leuk, maar ik wilde vervolgens wat anders: de geschiedenis van een Amerikaanse Bomb Group schrijven. Bij bezoeken aan oude vliegbases in Engeland stak Lavenham er voor mij met kop en schouder bovenuit. Het was de thuisbasis van de 487th Bomb Group, waarvan de geschiedenis nog niet goed op papier stond. In 2008 kwam “The History of the 487th Bomb Group” uit. Het werd een aantal jaar later gevolgd door een “Photo history” over dezelfde eenheid. Mijn activiteiten waren kennelijk niet onopgemerkt gebleven. In 1994 werd ik benaderd door de SGLO om toe te treden tot hun bestuur. Sinds 2010 ben ik voorzitter. De SGLO heeft ongeveer 325 leden en er is ongelooflijk veel kennis aanwezig over vrijwel alle aspecten van de luchtoorlog. Twee keer per jaar organiseren wij bijeenkomsten, negen keer per jaar geven we ons blad Bulletin uit.

In het vorige decennium zijn we al begonnen met het Verliesregister. We wilden eindelijk een beter inzicht krijgen in hoeveel vliegtuigen er in Nederland verloren waren gegaan. In 2008 werd een gedrukte versie uitgegeven, maar het Verliesregister is nog steeds in ontwikkeling en is als database gewoon via de SGLO-website te benaderen.

Op basis van de gegevens uit dit Verliesregister konden we de aanzet geven om de berging van toestellen met vermisten structureel aan te passen. Op basis van de huidige Circulaire Vliegtuigberging worden de kosten voor zeventig procent gedragen door de centrale overheid, de overige dertig procent door de gemeente waar het wrak zich bevindt. Die dertig procent slaat voor veel gemeenten nog steeds een flink gat in een begroting. We hebben het dan toch al gauw over 150.000 euro, een berging van een bommenwerper kost zo maar een half miljoen. De gemeente besluit en bergingsverzoeken worden soms geweigerd, tot grote teleurstelling van nabestaanden en betrokken Nederlandse burgers. Door het Verliesregister kon de SGLO gaan kwantificeren bij welke crashes nog stoffelijke resten in de grond zouden kunnen zitten. Het beeld werd steeds scherper. We hebben ook een aantal aannames gedaan.

Zo hebben we de toestellen in de Noordzee en ander stromend water buiten beschouwing gelaten. Ook de crashes in het strijdtoneel van Market Garden hebben we vooralsnog niet meegenomen, omdat daarbij vaak geen één op één relatie meer bestaat tussen de crashlocatie en mogelijk nog vermisten. Toestellen in het IJsselmeer nemen we wel mee, maar alleen bij een positieve identificatie van het toestel en de aanwezigheid van stoffelijke resten. Die kan bestaan uit de kleinste voorwerpen, zoals kledingresten of parachutelocks. Dan resteren de crashes binnen de Nederlandse landsgrenzen. Na toepassing van al die criteria blijven er dan ruim zestig geallieerde crashsites over waarbij vermisten staan geregistreerd. Tenslotte hebben we gekeken hoeveel bergingen daarvan kansrijk zouden kunnen zijn, met andere woorden, is er een reële kans dat we vermiste bemanningsleden kunnen bergen. Hoe is het vliegtuig neergekomen? Heeft het uren liggen branden? Zijn er stoffelijke resten wellicht als onbekend begraven? Ook de Duitse toestellen willen we gaan meenemen.

Na de oorlog is er nauwelijks onderzoek naar de vermisten van de Luftwaffe gedaan, maar ook daar zitten nabestaanden met een groot gemis. Wij vinden, en gelukkig vindt de politiek dat ook, dat we na 75 jaar hier geen onderscheid in moeten maken. Het eindresultaat is een inschatting dat er tussen de dertig en de vijftig vliegtuigen zijn waarbij de kans zeer reëel is dat we vermiste bemanningsleden in het wrak kunnen aantreffen. Met die resultaten zijn we naar de overheid gestapt met de vraag om alleen voor deze gevallen de kosten volledig te financieren en tot een nationaal bergingsprogramma te komen. Het voorstel is naar voren gebracht in de TV-documentaire ‘Liever dood dan vermist’, die in januari 2018 is uitgezonden. Vervolgens kwam het proces op gang: Kamervragen, antwoorden van de Minister, overleg met ambtenaren van het ministerie. Er ontwikkelde zich de mening dat we hier te maken hebben met een nationaal probleem, met een erezaak. Dat wij hier in vrijheid leven is mede te danken aan die jongens die mogelijk nog in de grond liggen. Het leidde tot de motie “Berging van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog”. Nu deze is aangenomen, gaan we als SGLO mede om de tafel met het Ministerie van Binnenlandse Zaken om te bepalen welke crashlocaties als eerste aan bod komen. Prioriteit van een berging wordt bepaald door een aantal factoren, zoals de aanwezigheid van nabestaanden, de kans op succes en planologische factoren. Voor de komende twee jaar gaan we in overleg met het Ministerie vier á vijf crashlocaties bepalen. Ons doel? Indien zinvol, bij elke vermiste vlieger een ultieme poging doen om hem te vinden en anders een goed onderbouwd verhaal waarom we dat niet doen.


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.