Bulletin 038 Vliegveld Volkel deel 4
Door de “groep Volkel”, coördinator H. Talen

Op 30 augustus 1944 kwamen van Chievres het Special Detachment E 51 van I/KG 51 met Me 262’s en Kommando Sperling van 1/Versuchsverband des O.K.L. met Arado Ar 234’s. Dit 1/Versuchsverband des O.K.L. had een Einsatz Kommando, samengesteld met de V-5 en V-7. Oberleutnant Gotz was hier Staffelkapitän en beschikte over twee vliegers, 19 man T.D. en 3 burger monteurs. (September 1944 was er een Sonderkommando Gotz, maar november 1944 vloog Gotz bij Sonderkommando Hecht, nogal verwarrend dus).

Op 26 augustus 1944 wie er met de V-5 een ongeval gebeurd, de eigen FLAK had erop geschoten en het geraakt. Het toestel ging echter niet geheel verloren, want op 22 januari 1944 tot en met 28 oktober 1944 kreeg de V-7 onderdelen o.a. een Hauptkufe, van de V-5. Op de lijst met vliegtuigen van Sonderkommando Hecht kwam de V-5 nadien trouwens ook nog voor. Mogelijk werd het toestel na dit ongeval dus verder gesloopt om aan onderdelen te komen voor de andere machines. De Arado’s werden gebruikt als fotoverkenners. Op 5 september kwam deze Staffel over de weg aan van Chievres en Volkel op Rheine. Op dat moment waren er 5 crews beschikbaar en bestond de vliegtuiginventaris uit de Ar-234, V-7 en 2 Ar-234B-1/B-0. We betwijfelen of er operationele vluchten met de Ar-234 vanaf Volkel zijn gemaakt. Ooggetuigen hebben wel één Ar 234 op ski’s zien landen op of net naast de baan 24-06. De FLAK-post aan de baankop 06 schoot toen op het toestel omdat men het niet als een eigen toestel herkende. Iets wat ondanks FLUKO-meldingen op alle vliegvelden voorkwam. Eenmaal aan de grond gekomen, kwam een ziekenwagen aanrijden om de vlieger weg te brengen. Het toestel werd direct afgedekt met een camouflagenet. Mogelijk betrof het hier dus de V-5, hoewel deze op 28 augustus 1944 nog niet op Volkel behoorde te zijn maar pas op 30 augustus 1944.

Ook Me 262’s..
Bevelen voor operaties van het Einsatz Kommando kwamen van Luftflotte 3. Films gingen voor verwerking naar FAG 123 (Fernaufklärungsgruppe 123). Van de vliegtuigen van het Kommando Sperling viel er geen één in vijandelijke handen. Drie keer werden de gelande V-5 en V-7 aangevallen op de grond, één keer ontliep de V-7 bij een bomaanval de vernietiging. Wel werd toen een tankwagen geraakt en een Holzgas LKW. Het is niet uitgesloten dat dit laatste plaats vond op Volkel op 3 september 1944. Mogelijk werden de Arado’s per vrachtwagen naar Rheine overgebracht. Zoals we al zagen kwamen gelijk met de Arado’s enkele Me 262’s van het Schenk Detachement van I/KG 51 naar Volkel.

Op hun vorige standplaats, Chievres, waren ze maar twee dagen gebleven. Deze Gruppe vloog mogelijk ook gelijktijdig vanaf de basis Eindhoven. Op Volkel worden twee van deze straalvliegtuigen gezien met rode neuzen. Dit zou kunnen wijzen op 2/KG 51. Ze vlogen sorties naar het front te Louvain, Antwerpen en het Albert Kanaal. Mogelijk zijn er ook niet meer dan twee van deze toestellen hier geweest. Nadat Volkel op 3 september door Lancasters en Halifax bommenwerpers overdag was aangevallen, vertrok het Detachement naar Duitsland op 4 september. Om twee uur in de morgen trokken de voertuigen over de Rijn bij Wesel. Gruppe I, waartoe het Schenk Detachement behoorde, ging naar de velden Rheine-Bentlage, Hoerstel, Dreierwalde en Hopsten. De Gruppe werd daar op sterkte gebracht met machines die van Lechfeld kwamen gevlogen.

Vuurzee…
Bij hun vertrek van Volkel moesten de vliegtuigen starten vanaf een rolbaan, omdat de twee startbanen gebombardeerd waren. Deze rolaan was maar 12 á 15 meter breed en eerst moesten nog verschillende bomkraters gedicht worden voordat men aan starten kon denken. Toch zag de Luftwaffe kans om 16 propellerjagers de lucht in te krijgen vanaf deze baan. Vier jagertjes reden in kraters of moesten om andere redenen hun start afbreken. Ze werden in brand gestoken door de vliegers. Als laatste zagen omwonenden twee vliegtuigen starten met achter zich een vuurstraal. De startbaan leek één en al vuurzee. De vlam achter het toestel werd na de start geleidelijk aan kleiner. Dit zouden dus twee Me 262’s van het Schenk Detachement geweest kunnen zijn. Officieel verliet I/KG 51 het veld pas op 5 september 1944. De Flaktroepen waren toen ook al weg en alleen wat grondtroepen bleven achter om alle gebouwen, bunkers en hangers op te blazen.

Daartoe werden van de bomopslagplaats in het Staatsbos achter Odiliapeel vliegtuigbommen opgehaald en in de gebouwen gelegd. Burgers werden gedwongen met paard en wagen deze bommen te vervoeren. Op de luchtfoto van 6 september 1944 is te zien dat op het Z.O. hangar-complex van de 12 hangers er 6 door Geallieerde bommen al waren vernield. Van de overigen was er één die zijn dakbedekking gedeeltelijk had verloren en waarvan de schuifdeuren eruit geblazen waren door een er vlak achter inslaande bom. De vernielingsploeg van de Duitsers vonden het klaarblijkelijk niet de moeite om deze hangar ook nog op te blazen en als enige overleefde deze de oorlog. Ook de grote Commando-bunker op het veld werd opgeblazen. Na de oorlog was een bouwbedrijf maanden bezig om het puin hiervan op te blazen.

Totale vernieling…
Op 5 september 1944 staken de Duitsers ook de barakken bij Louwers aan de Stationsstraat in Uden in brand. En hoewel door militairen uitdrukkelijk was verklaard dat er voor de omwonenden absoluut geen gevaar bestond, kwam omstreeks 10.45 uur toch een bom van naar schatting 500 kg tot ontplofing… Onder de vele omstanders vielen 5 slachtoffers, waarvan vier kinderen! Een Duitse militair kwam eveneens om het leven. Later overleden er nog twee personen aan de opgelopen verwondingen.

Ook het Missiehuis St. Willibrordus ging in vlammen op. Die morgen was in alle vroegte de R.K. Jongensschool in de Kerkstraat al aangestoken. Tegelijkertijd brandden ook het Barackenlager Bitswijk en een tweetal barakken aan de Veghelsedijk af. In de Bitswijk kwamen ook projectielen tot ontploffing en grote stukken ijzer vlogen door de lucht. Hier vielen gelukkig geen slachtoffers onder de omwonenden. De ongeveer 20 gebouwen van de Fliegerhorst-Kommandantur te Oosterens werden eveneens opgeblazen. In het dorp Volkel brandden enkele barakken af en in Odiliapeel werd de oude school eveneens door brand vernield. Op het vliegveld bleef die dag nog een klein aantal hangars overeind staan.

Op zondag 10 september, omstreeks 19.30 uur, werd weer begonnen met het laten springen van de hangars. Dit werd de volgende dag om ongeveer 10.30 uur voortgezet. Diezelfde morgen lieten enkele militairen gedeeltelijk verbrande vliegtuigonderdelen uit de afgebrande gebouwen in de Bitswijk in de lucht vliegen. De enige waarschuwing bestond uit het roepen “weg weg” door de zich in veiligheid brengende Duitsers. Verschillende huizen in de omgeving hadden na deze ontploffing geen ruit meer heel. Toen de Duitse troepen, onder aanvoering van Majoor Lange, klaar waren met hun werk verdiende Volkel de naam vliegveld niet meer. De startbanen waren al onbruikbaar geworden door de Geallieerde bombardementen, maar nu stond er practisch ook nergens meer een gebouw overeind… Dit in tegenstelling met b.v. Deelen en Twente, waar hele Duitse complexen onbeschadigd bleven bij het vertrek van de Duitse troepen.

RAF-aanvallen…
In deze tijd begon de RAF met aanvallen op de spoorwegen in Zuid-Nederland i.v.m. de komende operatie Market Garden. Op 6 september 1944 werd om plusminus 15.00 uur een personentrein door Geallieerde jagers aangevallen bij Uden. Eén persoon kwam hierbij om het leven. De dag er na werd door jagers een Wehrmacht-trein beschoten bij Uden, deze reed met doden en gewonden door naar Boxtel. Op 10 september 1944 doken om 08.00 uur jagers op een trein, ditmaal viel er één dode. Twee dagen later weer hetzelfde verhaal, ditmaal een binnenkomende trein uit de richting Mill. Hierbij vielen gelukkig geen doden. Om ongeveer 3 uur vielen op 13 september 1944 twee bommen op de Maasstraat bij het Missiehuis, zonder dat er slachtoffers te betreuren waren. Op 17 september brak eindelijk de dag van Market Garden aan…

De Jongste…
Om 08.15 uur beschoten Geallieerde jagers een locomotief (nummer 1874) bij de Leygraafbrug, even buiten Uden. Hierbij vielen twee doden, drie gewonden overleden enkele dagen later. Gelijktijdig werd een andere locomotief aangevallen, onderdeel van een munitietrein.
Om 10.15 uur waren de jagers er weer om het werk verder af te maken. De munitietrein werd gebombardeerd. Ook vielen er bommen op het terrein tussen Lagenheuvel en Volkel en op barakken boven de Hoeven. Doordat de aandacht getrokken werd door de vliegers van spelende kinderen die gevonden Duitse lichtkegels afschoten, gooiden ze ook splinterbommen op de “Fliegerhorst” bij Oosterens. De Duitsers waren daar al vertrokken en het resultaat was dat hier drie burgers om het leven kwamen.
Om ongeveer 17.00 uur werd een Duitse pantserwagen, komende van Veghel, door boordwapens beschoten. Enkele inzittenden werden gewond. Eén van hen moest in het St. Jansgesticht in Uden worden achtergelaten, nadat zijn arm was geamputeerd. Omdat hij met zijn 18 jaren de jongste was geweest had hij bovenop de Pantser moeten zitten, als uitkijk tegen Geallieerde vliegtuigen. Die dag landde de 101ste Amerikaanse Airborne Division te Son (502 Parachute Infantry Regiment en 506 P.I.R.) en Veghel (501 P.I.R.) en de 82ste Airborne Division bij Grave en Overasselt (504 P.I.R.). Eén van de C-47’s die troepen moest droppen voor de 101ste werd gevlogen door 2e Lt. Shulman. Nadat ze getroffen waren hield hij zijn toestel op koers en gaf de inzittenden gelegenheid te springen. Voor hemzelf en Lt. Kampschmidt was het toen echter te laat; zij kwamen om het leven toen de machine te Vogelenzang, westelijk van Erp, tegen de Aa-oever sloeg. Beiden lagen geruime tijd begraven te Erp, met de propeller van hun C-47 boven op het graf. (SGLO T4076)

De eerste Amerikanen
De eerste Geallieerde militairen doken op in Uden op 18 september 1944 om plusminus vijf uur. Het waren twee Amerikaanse motorrijders en een jeep van de 101ste Airborne Division. Na de St. Janstraat verkend te hebben en mogelijk even in de richting Kerkstraat geweest te zijn, keerden ze weer terug, richting Veghel. Kort hierna kwamen er nog andere Geallieerden in het dorp. Het betrof hier de bemanning van een te ver doorgevlogen glider bestemd voor Son. Het toestel kwam neer bij de Bedafse bergen, niet ver van de op de hoogste top ingerichte Duitse uitkijkpost. De bemanning van deze post werd gevangen genomen en op een oude wagen naar het Kapelplein te Uden vervoerd. Vandaar trokken ze terug op Veghel, omdat Uden niet door Geallieerde troepen was bezet.

Gemotoriseerde eenheden van het Tweede Britse Leger, met voorop een armoured car, brachten de dag erop een officiële bevrijding van Uden. Even voorbij Uden lag een knokploeg in dekking om te verhinderen dat de terugtrekkende Duitsers het electriciteits-verdeelstation tussen Uden en Zeeland zouden opblazen.

Zij hadden een berichtje ontvangen dat vóór de Engelse troepen nog terugtrekkende Duitse eenheden zouden rijden. Toen de tanks met voorop een scout car van de 2e Houshold Cavalry dan ook Uden verlieten, werden ze met handvuurwapens beschoten door deze knokploeg. De Engelsen stopten niet en de tanks vuurden al rijdend, maar gelukkig konden hun wapens niet laag genoeg gericht worden. Hopelijk werd niemand van de Engelsen geraakt, ook niet die man die met een koptelefoon op, half buiten de scout car zat…

(Disclaimer: Dit betreft een oud artikel uit Bulletin, het kan zijn dat de informatie in dit artikel inmiddels achterhaald is of onjuist is gebleken.)


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.